Het brein van een zesjarige

Je zal maar een neurowetenschapper als moeder hebben. Niet zelden zie ik mijn twee kleuters als wandelende breintjes. Maken ze ruzie, dan zie ik helemaal voor me hoe hun onrijpe prefrontale kwabjes hard werken – meestal met weinig succes – om die lelijke woorden en stompende vuistjes tegen te houden. Voor mij werkt dit relativerend. Het is mijn manier van tot tien tellen.

Ook gaat het vrijwel dagelijks over de hersenen bij ons thuis. Als mijn zesjarige zoon er weer eens een scheldwoord uitflapt en ik hem berisp, commandeert hij al wijzend naar zijn voorhoofd: ‘Hersenen: vergeet dat woord!’. Ook is hij ervan overtuigd dat zijn ‘Force’ in zijn ‘rechterhersenstuk’ zit (en dan corrigeer ik hem ook nog: de hersenhelften werken altijd samen hoor!). En vraagt hij zich regelmatig af of een mier – danwel pissebed, spin, vlieg – ook hersenen heeft. En hoe groot die dan zijn.

Ik moedig dit uiteraard aan. Zelf onderzoek ik het effect van kennis over het brein op hoe kinderen hun leervermogen zien: als vastliggend of veranderbaar. Als je weet dat je brein plastisch is, blijkt dit het besef te vergroten dat het dus óók veranderbaar is hoe goed je ergens in bent. Als kinderen leren dat hun eigen hersenen ook zo werken, en dat ze zelf invloed hebben op hun leerprocessen, heeft dat een gunstig effect op hun motivatie en hun reactie als dingen niet meteen lukken. Wanneer ze gaan geloven dat ze ergens beter in kunnen worden met inzet en de juiste hulp, dan verandert ‘Ik kan dit gewoon niet!’ in ‘Oei, ik moet meer oefenen’.

Ik sta dus al sinds de babytijd te popelen om mijn kinderen op de hoogte te brengen van deze bijzonder nuttige kennis over hun hersenen. Maar ja, wat is een goed moment? Hersenplasticiteit is toch wel vrij complexe materie. Ongeduldig als ik ben greep ik mijn kans toen ze in mijn zoons klas (groep 2) het thema gezondheid begonnen. ‘Ik kan wel iets komen vertellen over het brein!’, reageerde ik enthousiast. Je hebt immers gezonde breinen en zieke.

Met mijn plastic hersenmodellen en een blije zoon toog ik op de afgesproken dag naar de kleuterklas. Mijn eerste vraag ‘wat zijn de hersenen?’ bleek een inkoppertje en stelde mij gerust dat ik echt wel goed bezig was. Op mijn volgende vraag, waaróm we hersenen hebben, werd enthousiast geroepen: ‘Om te bewegen! Om te voetballen! Om te dansen!’. Het leuke is dat menig neurowetenschapper na jaren van onderzoek inderdaad concludeert dat al onze hersenactiviteit uiteindelijk precies dat doel dient: bewegen.

Na wat leuke feitjes, zoals dat hun hersenen al bijna net zo groot zijn als die van juf, mochten ze zelf vragen stellen. Ze wilden weten waar de hersenen precies zitten in ons hoofd. En waarom eigenlijk in ons hoofd, en niet ergens anders. Waarom een strijkbout geen hersens heeft. Een meisje wilde graag iets over haar dansles vertellen. Voetbal kwam ook ter sprake.

De neurowetenschapper in mij wilde dolgraag nog even de plasticiteit in de groep gooien. Proberen is leren, omdat je hersenen dan beter gaan werken, zoiets. De moeder in mij besloot om toch nog een paar jaar te wachten. Maar het eerste zaadje, dat is geplant.

Deze column verscheen eerder in Bionieuws.

Advertenties