Waarom we zo graag in mythen geloven

Tijdens mijn vakantie werd ik gebeld door een nummer uit Hilversum. Het bleek Radio 1. Ze wilden graag een interview over een nieuw onderzoek naar het geloof in mythen over het brein, te verschijnen in het blad Frontiers in Psychology. Vanuit het Hongaarse platteland kon ik onmogelijk naar de studio komen, maar gelukkig was collega Meike Grol ondertussen ook al gebeld. Die was aan het zeilen in Friesland, gelukkig wel dichtbij.

Samen met Meike, en Sandra van Aalderen, schreef ik recentelijk het boek Kijken in het brein  over de mythen en mogelijkheden van hersenonderzoek. Jaren geleden ontstond het idee voornamelijk uit frustratie over de onzin en overdrijving die we tegenkwamen over ons onderzoeksveld. Van pedoscanners tot koopknoppen in het brein: wij wilden nuance aanbrengen en uitleggen wat wel kan met hersenscans en wat niet. Gaandeweg veranderde onze missie: onze frustratie over teveel optimisme verschoof naar die over teveel scepsis. Steeds vaker lazen we in opiniestukken dat hersenscans niets meer zouden zijn dan een misleidende hype. Dat maakte het nóg belangrijker om te laten zien waar de kansen liggen, en hoe we deze tot hun recht kunnen laten komen. Een eerste stap is het doorprikken van mythen en onrealistische verwachtingen – het voer voor zowel de optimist als de scepticus.

Uit het betreffende artikel in Frontiers blijkt dat onze missie nog verre van volbracht is. Het Amerikaanse onderzoek liet bijna vierduizend leken beweringen over de hersenen op waarheid beoordelen. Deelnemers die voor hun studie onderwijs over de hersenen hadden gevolgd brachten het er het beste van af, maar geloofde nog steeds 46% van de onzinstellingen. Onderwijzers geloofden 56% en overige deelnemers 68% van de mythen. De leerstijlen-mythe werd het meeste geloofd: het idee dat een kind het beste leert als de informatie wordt aangeboden in zijn of haar voorkeursstijl, bijvoorbeeld visueel of auditief. Er is echter geen enkel wetenschappelijk bewijs dat een kind dan inderdaad beter leert. Wel maakt het reduceren van leermateriaal tot één type aanbieding het kind minder flexibel om verschillende leerstrategieën te gebruiken.

Dat de groep die wel eens les heeft gehad over de hersenen het beste scoorde is hoopgevend: met goede voorlichting kunnen we dus wel verschil maken. Het idee om een boek te schrijven was dus zo gek nog niet.

Maar waarom gelooft zelfs de neuro-onderlegde groep dan nog bijna de helft van de mythen? Ons brein is verrassend goed voor de gek te houden. Eigenlijk krijgen we maar een gedeelte mee van wat er om ons heen gebeurt. Omdat ons brein niet alles kan bijhouden, vult het zo slim mogelijk  de ontbrekende informatie in. Daarom zijn we bijvoorbeeld geneigd gezichten te zien in niet-levende dingen zoals stopcontacten of tosti’s: gezichtsherkenning is voor de mens een zeer belangrijke functie, dus vult ons brein maar wat graag losse stukjes informatie in tot een gezicht.

Misschien zijn we daarom ook wel zo vatbaar voor mythen. We hebben vaak niet genoeg informatie en geloven daarom graag het verhaal dat voor ons de meest logische combinatie van de losse stukjes informatie vormt. Zo werkt ons brein.

Het interview met Meike Grol is hier terug te luisteren.

Deze column verscheen eerder in Bionieuws.

Advertenties