Mijn hersenselfie

Mijn loopbaan als onderzoeker begon misschien wel met mijn fascinatie voor Marie Curie. Tijdens mijn studie verslond ik haar biografie meerdere malen. Haar toewijding werkte betoverend, ook al bracht deze haar tot zelf-experimentatie met radioactiviteit en stierf ze vroegtijdig aan leukemie. Het hield me bezig: zoveel discipline en toewijding, zou ik dat ook kunnen?

Mijn hersenselfie. © Nienke van Atteveldt

Een fatale afloop gaat wel erg ver, maar toewijding is onontbeerlijk in een academische carrière. Zo heb ik door de jaren heen meerdere malen mijn eigen brein gescand en digitaal ontleed. De eerste keer vond ik dat best spannend. Zitten alle kronkels erop en eraan? Geen zwarte gaten of enorme ventrikels? Het bleek gelukkig een prima breintje (want klein is hij wel).

Mijn motivatie voor de zelfscans was steeds dezelfde: ik had een nieuw experiment opgezet en vond dat ik als eerste zelf moest ondergaan hoe het zou zijn om deel te nemen. ‘Wat gij niet wil dat u geschiedt, doe dat ook een ander niet’: mijn eigen tegeltjesethiek. (Uiteraard liet ik mijn studies ook altijd door een officiële ethische commissie beoordelen). Daarnaast gaf zelf proefkonijn zijn toch de beste ideeën ter verbetering.

Mijn hersenselfies, een stuk of tien in totaal, vallen in het niet bij het recente zelfonderzoek van de Amerikaanse professor Russell Poldrack. Geïnspireerd door de Quantified Self Movement liet hij anderhalf jaar lang elke week twee fMRI-scans van zijn eigen brein maken. Zijn missie: in kaart brengen hoeveel de hersenactiviteit van dezelfde gezonde persoon heen en weer schommelt over dagen en maanden.

Want was is “het gezonde brein”? Elk brein ziet er anders uit en gedraagt zich ook elk moment anders, onder invloed van bijvoorbeeld vermoeidheid, stemming of pindakaas. Maar als we een verschil meten in hersenactiviteit tussen iemand met een depressie en iemand zonder, valt dit dan binnen de normale variatie of werkt het depressieve brein daadwerkelijk anders? Om dit soort vragen beter te kunnen beantwoorden moeten we eerst meer weten over de normale dynamiek van hersenactiviteit.

En dat is precies wat Poldrack voor ogen had. Zijn MyConnectome-project is de grootste verzameling data van dezelfde persoon ooit. Naast de ruim honderd hersenscans heeft hij zijn dagelijkse voedselinname, fysieke activiteit en stemming bijgehouden in een self-tracking app en liet hij wekelijks bloed prikken om hormoonspiegels en RNA te meten.

De eerste resultaten laten zien dat één hersenscan absoluut niet representatief is voor dat individuele brein. De flinke fluctuaties in activiteit en samenwerking tussen hersengebieden gingen hand in hand met schommelingen in psychologische en fysiologische meetwaarden. Dit biedt een interessante basis voor onderzoek naar psychiatrische stoornissen, waarin mentale functies meestal sterk heen en weer schommelen.

Gelukkig is het zelfonderzoek van Poldrack vrolijker afgelopen dan dat van Marie Curie. Toch heeft hij eveneens de wetenschap een belangrijke stap vooruit geholpen. En als groot voorvechter van Open Science heeft Poldrack zijn gehele project openbaar gemaakt: niet alleen de enorme databerg, maar ook het ontwerp en analyseprotocollen. Het ligt allemaal klaar, wachtend op de volgende fanatieke neurowetenschapper. Wie volgt?

Misschien is dit mijn kans om toch nog in de voetsporen van Marie Curie te treden. Maar dan wel graag met een happy end.

Deze column verscheen eerder in Bionieuws.

Advertenties