Het puberbrein: een zelfvervullende voorspelling?

Vier Amerikaanse jongeren wonnen in november de Kindervredesprijs 2018, voor het oprichten van de beweging March For Our Lives na de schietpartij op hun middelbare school in de stad Parkland. De jongeren werden beloond voor hun moed, voor het zich durven afzetten tegen de gevestigde orde. Iets waar jongeren doorgaans bijzonder goed in zijn.

Helaas lezen we veel vaker negatieve berichten over het gedrag van jongeren, van comazuipen, roekeloos rijden tot afhaken op school. Vaak wordt dit gedrag geweten aan het puberbrein. “Huiswerk plannen lastig voor puberbrein”, “Puber blijft maar roken en drinken: Hun brein werkt nou eenmaal anders”, om maar wat voorbeelden te noemen.

De laatste jaren is er veel onderzoek gedaan naar de hersenontwikkeling tijdens de adolescentie. Dit heeft veel inzicht geleverd in het vaak wispelturige gedrag van jongeren, en de term puberbrein is gemeengoed geworden. Vaak wordt het puberbrein geassocieerd met risicogedrag; de hersenen van jongeren zijn bijvoorbeeld zeer gevoelig voor peer pressure en directe beloningen. De hersengebieden die nodig zijn voor het bedwingen van impulsen en het plannen van gedrag zijn nog volop in ontwikkeling.

Maar er is ook steeds meer bekend over de positieve kanten van deze ontwikkelingsfase. De extra gevoeligheid voor beloning en de drang om te exploreren zorgen er ook voor dat jongeren sommige vormen van leren beter kunnen dan volwassenen. Het brein is nog flexibeler, met creativiteit en out-of-the-box ideeën als resultaat. En risico’s nemen is ook lang niet altijd slecht. Als je nooit risico’s neemt, leer je ook niet omgaan met falen.

Wat doen berichten over het puberbrein met jongeren zelf? En hun ouders? Als je herhaaldelijk leest dat je puberbrein van alles nog niet kan, ga je je daar dan naar gedragen?

Mijn onderzoeksteam en ik zochten het uit. In een onlangs gepubliceerd onderzoek vroegen we kinderen van twaalf tot zestien jaar en hun ouders welke drie woorden als eerste in ze opkwamen bij het woord ‘puberbrein’. Wat bleek? De kinderen, maar vooral hun ouders, vulden overwegend negatieve associaties in, zoals ‘impulsief’, ‘lui’ en ‘humeurig’. Positieve associaties, zoals ‘creatief’ of ‘zelfstandig’ werden beduidend minder vaak genoemd.

De kinderen vulden ook in of ze het eens of oneens waren met beweringen over de hersenontwikkeling tijdens de adolescentie. De helft van de beweringen was negatief geformuleerd (‘Omdat jongeren minder controle hebben over hun gedrag dan volwassenen, maken ze vaker impulsieve keuzes.’).

Daarna speelden ze een computerspel, waarin ze (digitale) ballonnen moesten opblazen. Hoe groter ze de ballon opbliezen, hoe meer punten ze kregen. Maar het risico dat de ballon zou knappen werd ook groter. We vonden dat hoe sterker de deelnemers het eens waren met de negatieve beweringen, hoe verder ze de ballonnen opbliezen, oftewel: hoe meer risico ze namen. Hun gedrag leek dus hun eigen beeld over het puberbrein te bevestigen.

Negatieve beeldvorming over het puberbrein kan dus misschien inderdaad leiden tot een zelfvervullende voorspelling. Ik heb een puberbrein, natuurlijk ga ik naar een zuipkeet. Mijn huiswerk plannen? Dat kan ik nog niet met mijn puberbrein. Laten we het dus vooral vaker over jonge wereldverbeteraars hebben.

Deze column verscheen eerder in Bionieuws.

An English version of this column has been published on BOLD blog on Learning and Development.