Het grote gevaar: schermpjes, of aardappels eten?

Mijn vader mocht van mijn oma niet teveel lezen. “Je verleest je verstand!” zei ze dan. Nogal een contrast met de huidige opvattingen over ‘leeskilometers’ die kinderen moeten maken vanaf groep drie. Zouden we over een aantal decennia ook lachend terugdenken aan de waarschuwingen dat je kind niet teveel tijd moet doorbrengen achter ‘schermpjes’?

Er is veel te doen over de mogelijke gevaren van de vele schermpjes die het leven van onze kinderen zijn binnengedrongen. Vooral tieners zouden er ongelukkig en onzeker van worden. Slechter slapen. Slechter leren. Een recente studie van de Britse onderzoeker Amy Orben, gepubliceerd in het tijdschrift Nature Human Behaviour, laat zien dat het bewijs voor al die negatieve effecten nogal rammelt.

Volgens Orben kampen studies die negatieve effecten vinden van schermtijd met een aantal problemen. De eerste is dat alle gevonden effecten slechts correlaties zijn. Oorzaak en gevolg zijn dus niet duidelijk. Bijvoorbeeld, meerdere onderzoeken vinden een correlatie tussen symptomen van depressie en de tijd die jongeren online doorbrengen. Maar er is geen bewijs dat schermtijd de symptomen veroorzaakt. Een kind dat geen vrienden heeft en daardoor somber, zal als gevolg misschien zijn heil zoeken in de digitale wereld.

Daarnaast zijn de correlaties vaak zwak. Bijvoorbeeld: een recente studie onder een half miljoen Amerikaanse adolescenten vond een verband tussen schermtijd en de kans op psychische problemen. Maar als we de studie onder de loep nemen, blijkt dat online mediagebruik minder dan één procent van de verschillen in depressieve symptomen onder tienermeisjes verklaarde, en er geen enkel verband was bij jongens.

Het laatste probleem zit hem in de gebruikte grootschalige datasets, vaak door overheden of andere instanties verzameld.  Een grote steekproef is goed, maar toch is deze werkwijze niet ideaal. De data zijn voor een ander doel verzameld, waardoor de match met de onderzoeksvragen niet optimaal is, en de hypothesen niet van tevoren zijn opgesteld. Daarnaast maken de grote hoeveelheid variabelen ook duizenden analyses mogelijk. Er is daardoor altijd wel iets ‘significants’ te vinden in zo’n databerg. Maar hoe weten we of de gevonden correlaties betekenisvol zijn?

Om deze vraag te beantwoorden analyseerde Orben drie veel gebruikte grote datasets met een speciale methode die alle mogelijke analyses tegelijk draait. Dit is een stuk objectiever, want het voorkomt dat onderzoekers de krenten uit de pap kunnen halen. Ze vond dat schermtijd een zeer klein negatief effect had op de psychische gesteldheid van jongeren, zeker in vergelijking met andere factoren. Het roken van marihuana had bijvoorbeeld een veel groter effect. De duidelijkste relativering zat hem in de vergelijking met neutrale factoren: het regelmatig eten van aardappelen had een vergelijkbaar negatief effect, het dragen van een bril zelfs een groter effect.

Het huidige bewijs rechtvaardigt alle aandacht voor negatieve effecten van schermpjes dus niet. We moeten verbanden die uit big data worden gehaald goed in context plaatsen. Anders schrijft mijn kleindochter in de toekomst een soortgelijke column, maar dan met mij in de rol van de moeder met goede intenties maar achterhaald advies.

Deze column verscheen eerder in Bionieuws.